De Standaard, December 05, 2003, p 22
Jan Bohets
Als Duitsland zo'n ontluisterend beeld van economische neergang biedt, is dat volgens de voorzitter van het IFO-instituut voor economisch onderzoek, Hans-Werner Sinn, voornameljk te wijten aan de wijze waarop zijn sociaal systeem miljoenen mengen uit het arbeidsproces verwijderd houdt. Hij vermacht dat de EU-uitbreiding tot de grote hervorming zal verplichten die het land zijn toekomst teruggeeft.
Duitsland sloeg onder Willy Brandt de weg naer de belastingsstaat in. Het is vandaag het zwaarst belaste land ter wereld. Zijn Industrie torst ook de hoogste loonkosten, met het gevolg dat ze massaal in het buitenland investeert en in eigen land alleen de productiefsten aan het werk kan houden. Dat de lonen zo duurzaam werden opgedreven tot boven het evenwicht van de markt dat min of meer volledige werkgelegenheld zou waarborgen, heeft een dubbele oorzaak: de vakbonden kregen verregaande kartelrechten en de overheid helpt hen de arbeidsmarkt voldoende krap te houden.
Sinn analyseert koel, maar lucht ook zijn emoties: "Kunnen we blijven aanvaarden dat de vakbonden de arbeldsmarkt zo in hun wurggreep houden? Waarom laten we de staat zoveel geld uitgeven om het nietsdoen in stand te houden? Toorn vervult hem, schrijft hij, als hij ziet hoe de tijd verstrijkt zonder dat wordt ingegrepen. De titel van zijn boek is provocerend: Is Duitsland nog te redden?
Een kwarteeuw geleden lag het inkomen per hoofd tweemaal zo hoog als in Groot-Brittannlë. Nu is het Britse welvaartspeil weliswaar mede dankzij het gestegen pond hoger dan het Duitse. Ook Nederland, Oostenrijk, Finland en Ierland, zijn Duitsland voorbijgestoken.
De hereniging mag economisch als mislukt worden beschouwd. Elke derde euro die in de nieuwe deelstaten wordt uttgegeven, komt uit het westen van het land, en van die euro werd 75 cent geschonken en 25 cent geleend. De grootste pessimist had het zich niet kunnen indenken.
De omruilingskoers van één Ostmark voor één DM was nog niet het ergste: intern had de DDR-munt een verrassend hoge koopkracht, en de loonkosten kwamen door de omruiling nog maar op één derde van het niveau van de Bondsrepubliek. Als ze daar waren gebleven, was het beslist nog tot een economisch mirakel gekomen.
Voor de echte ramp zorgden de "plaatsvervangende loononderhandelingen" van 1991, toen er in de nieuwe deelstaten nog geen ondernemers waren, tussen vertegenwoordigers van West-Duitse werkgeversorganisaties en vakbonden. Zij werden het buitengewoon snel eens over volledige loonharmonisering met het westen in vijf jaar tijd: het laatste waar ze behoefte aan hadden, was lageloon-concurrentie binnen de eigen landsgrenzen. De duizenden bedrijven waarvoor de Treuhand kopers moest zien te vinden, werden daardoor waardeloos. Elke mogelijkheld om een nieuwe industriële basis op te bouwen en een zichzelf dragende opgang tot stand te brengen, werd in de kiem gesmoord. Sinds 1997 groeit de achterstand van oostelijk Duitsland weer. De productiviteitskloof is zo groot als die tussen de Mezzogiorno en de rest van Italië. De werkgelegenheid zakt ieder jaar verder weg.
De levensstandaard zou in recordtempo op het West-Duitse pell worden gebracht, maar dat kostte zo schrikbarend veel geld dat de regering-Kohl het raadzaam achtte niet de eigen kiezers maar die van de toekomstige regeringen daarvoor te laten opdraaien. Dit illustreert volgens Sinn hoe belangrijk het Stabiliteitspact is: het is de enige bescherming van de kinderen en kleinkinderen van de huidige generatie tegen de opportunistische politiek van de aan de macht zijnde regeringen. Dit was wellswaar niet de echte bedoeling die de politici ermee hadden. Het pact was een put die Duitsland voor andere EU-lidstaten groef, maar het is er zelf in getuimeld en raakt er niet meer uit.
Sinds drie decennia poogt de overheid de economische verzwakking met steeds hogere uitgaven op te vangen, zonder dat hierdoor één probleem werd opgelost. Alleen al sinds de hereniging is de staatsschuld gestegen van 539 tot 1.269 miljard euro, en de collectieve-lastendruk is zo hoog opgelopen dat men op elke bijkomende euro arbeidsinkomen tot 66,7 cent belasting betaalt. Twintig procent van de belastingplichtigen betaalt meer dan twee derde van de Inkomstenbelasting; ongeveer de helft van de bevolking betaalt geen of vrijwel geen belasting op haar inkomen.
Het pensioenstelsel vergelijkt Sinn met een kettingbrief, waarbij man hoopt dat steeds meer mensen zullen meedoen. Maar de evolutie van de bevolkingspiramide brengt mee dat de pensioenbijdragen in verhouding tot het brutoloon zullen moeten verdubbelen, ofwel dat de pensioenen in verhouding tot het brutoloon zullen moeten halveren. Daartussen zullen de politici naar believen kunnen moduleren en de burger zal best zijn voorzorgen nemen.
Het heeft volgens de IFO-voorzitter geen zin, te proberen tegen de krachten van de mondialisering in de lonen steeds hoger te drijven. En toch doet men het, ten koste van een verder oplopende massawerkloosheid. Dure loonakkoorden worden voor de hele sector bindend verklaard. Werknemers die bereid zijn een loonsverlaging te aanvaarden om hun onderneming voor hat faillissement te behoeden, zoals bij de bouwreus Philipp Holzmann, krijgen niet eens die mogelijkheid. Sinn noemt het verbijsterend dat de vakbonden zulke verregaande kartelrechten hebben gekregen en dat de regering-Schröder er ook nog alles lijkt aan te doen om die te betonneren.
Werktijdverkorting moet de ergste sociale gevolgen helpen opvangen, maar in zekere zin is ze nog inefficiënter dan werkloosheid, want ze belet de productieve werknemers zoveel te presteren als ze willen en leidt tot een nog lagere nationale productie dan wegens de aanzienlijke werkloosheid al te verwachten viel. Ock de bescherming tegen afdanking (Kündigungsschutz) helpt de lonen boven hat niveau te houden waar volledige tewerkstelling zou mogelijk zijn. De vaders en moeders die zich in hun veilige arbeidsplaats hebben geïnstalleerd, stemmen voor dure loonakkoorden zonder te beseffen dat ze hun kinderen de toegang tot de arbeidsmarkt helpen ontzeggen. Zonder een zo verregaande bescherming tegen afdanking zouden gematigder looneisen worden gesteld en zouden de ondernemingen er niet zo voor terugschrikken mensen aan te werven. De jobzekerheid zou toenemen, niet afnemen.
De voorzienigheidsstaat (Sozialstaat) bestempelt Sinn als de "heimelijke medeplichtige" van het kartel van de vakbonden. Hoe excessief hun looneisen ook waren, hij heeft de aangerichte schade altijd weer op zich genomen. Als hij dat niet had gedaan, zou het tot een algemeen oproer zijn gekomen en zouden de grenzen van het hoge-loonbeleid veel eerder zijn bereikt.
Duitsland kan het zich niet veroorloven van de inzet van 4,5 miljoen arbeidsbekwame mensen af te zien, schrijft de IFO-voorzitter, alleen opdat de overige 35 miljoen ietwat hogere lonen zouden kunnen afdwingen. In de voormalige DDR moeten de oud-communisten in hun vulstje lachen: het kapitalisme heeft zich net zo lelijk gedragen als het in de karikaturen van zijn voormallge machthebbers werd voorgesteld. Alleen is de massa-werkloosheid niet het gevolg ven de rnarkteconomie, maar van de overheidsinterventie in de vorm van een slecht opgezet sociaal beleid.
Volgens een onderzoek van het IFO-instituut zou een loondaling met gemiddeld 10 tot 15 procent volstaan, maar zou dat bij de laaggekwalificeerden 30 procent moeten zijn. Die zouden dan wel bijkomende hulp moeten krijgen, zij het op een wijze die hen niet tot ledigheid veroordeelt. Het loonvervangingsinkomen dat de staat uitbetaalt, doet dat wél. Dit is, meer mog dan de kartelpolitiek van de vakbonden, de basisoorzaak van de massa-werkloosheid. Het wettigt hoge aanspraken op het bedrijfsleven: de lonen moeten voldoende boven het loonvervangingsinkomen uitkomen om arbeid boven werkloosheid te doen verklezen.
De Sozialstaat werpt zich bijgevolg als een geduchte concurrent van de particuliere sector op. De ondernemingen worden in de tang genomen tussen die machtige economische sector, die aantrekkelijke uitkeringen uitbetaalt om niets te doen, en de lage-loonaanbieders uit de hele wereld. Geen wonder dat ze buiten de landsgrenzen verklezen te Investeren en daar al 2,6 miljoen mensen aan het werk hebben. Ze hebben het met de concurrentie van de voorzienigheidsstaat des te moeilijker omdat ze via belastingen en sociale bijdragen zelf zijn prestaties moeten bekostigen.
Wie zijn werk kwijt raakt, zit vast iIn de werkloosheidsval en moet maar zien hoe hij zijn tijd doorbrengt. Hij kan in het zwart werken, voor de tv zitten, bier drinken, herrie schoppen, neonazi spelen of maar buikdanseressen kijken -- zolang hlj maar niet werkt. Hulp krijgt hij slechts als hij zelf niets uitricht. Het ondergraaft niet alleen de economie; het is ook mensonwaardig.
41 procent van de kiesgerechtigden (47 procent in oost-Duitsland) betrekt zijn inkomen reeds voornamelijk van de staat, en dat aandeel zal gezien het toenemende aantal gepensioneerden nog stijgen. Zowel bij de betalers als bij de ontvangers van die geldstroorn treden gedragsveranderingen op die zand in het economische raderwerk strooien: de ene probeert zo weinig mogelijk te betalen, de andere zoveel mogelijk te krijgen. Zo keert de staat nu meer dan 150 miljard euro per jaar aan subsidies uit, in de steenkoolnijverheid bedragen ze per tewerkgestelde 56.000 euro, een bedrag waarvan men elke mijnwerker het hele jaar op vakantie naar Majorca kan sturen en hem daar ook nog van eten en drinken kan voorzien.
De uitbreiding van de Europese Unie zal misschien de detonator voor een grote hervorming zijn. Ze zal immers tot een nieuwe immigratiestroom leiden, waarvan de omvang niet te voorspellen valt. Tot dusver kwamen twee derde van de inwijkelingen uit Centraal- en Oost-Europa naar Duitsland.
Migratie kan in principe goed zijn voor zowel het land van herkomst als het land van bestemming. In landen met flexibele lonen hoeft grootscheepse inwijking geen probleem te zijn, zoals de Verenigde Staten en Israël hebben aangetoond, maar in Duitsland dreigt ze een immigratie in de werkloosheid te zijn. De uitkering (Sozialhilfe) aan een gezin met vier leden ligt namelijk viermaal zo hoog als het nettoloon van een gehuwde industriearbeider met twee kinderen in Polen en de Tsjechische Republiek, en zesmaal zo hoog als het nettoloon in Hongarije en Slovakije.
Een migratie waarbij laaggekwalificeerde Duitsers hun arbeidsplaats ter beschikking stellen en zich in de sociale zekerheid laten afschuiven, is in die omstandigheden voorgeprogrammeerd. Immigranten biljken slechts een nettobijdrage aan de samenleving te betalen als ze lang genoeg blijven, maar na vijfentwintig jaar is 80 procent teruggekeerd naar het land van herkommt of overleden. Voor Sinn bestaat er geen twijfel aan dat de inwijking voor de Duitse staat een aanzienlijke verliespost is.
Maar vermoedelijk zal het nu tussen de bestaande EU-lidstaten tot een soort afschrikkingsconcurrentie komen, waarbij ze hun sociale generositeit terugschroeven om zo weinig mogelijk migranten aan te trekken.
Please send your comments or questions on specific articles to: presse@ifo.de. Please mention in your e-mail the article you are concerned with.
Phone: +49(0)89/9224-1218 Fax: +49(0)89/9224-1267
More articles in international newspapers and journals:
Press Echo
Comments on current economic policy issues in Policy Debate: